Hieronder vind je een bloemlezing van teksten die een hulp kunnen zijn bij het opstellen van een tekst op een rouwkaartje.

ALGEMEEN

Als ik ooit doodga,
begraaf me dan niet,
verstik me niet onder een zware steen.
Als ik ooit doodga,
verstik me dan niet in je tranen,
maar schep een herinnering aan mijn lach.
Strooi mijn as uit,
voor alle winden,
zodat, wat ooit mijn lichaam was,
de weg kan vinden,
naar alles wat het eens beminde

Langs de weg van het leven
gaat de zon heel langzaam op.
De wereld moet zichzelf nog zoeken.
Een kind ontwaakt,
een mens geboren.
Langs de lange weg van het leven
voert de tijd zijn eigen strijd.
Heel diep in een mensenziel.
Het kiezen, het winnen of verliezen.
Langs de wegen van het leven,
gaat de tijd, mee met de grote klok
haar lange wijzers, genadeloos;
jaren, maanden, dagen, uren tellen
vijf vóór zeven, vijf vóór negen, vijf vóór …
Voor altijd …
Tijd van afscheid nemen, tijd van gaan.
Na de lange weg van het leven, is er
geen pijn meer, geen strijd, geen tikken van de klok
enkel nog het glashelder eeuwig morgenlicht.

En plots valt de wereld stil,
paars en vol verdriet
je ging weg
de eeuwigheid nader
ergens dichtbij
en toch
had de dag niet gewacht.
Er was zon
en duizend bloemen
die ons vertelden
hoe mooi jij was
hoe rijk jouw liefde
en wij gingen verder
met dit verhaal
in de zekerheid
dat jouw einde
eindeloos is.

Je handen hebben voor ons gewerkt,
je hart heeft voor ons geklopt.
Om wat je was, zijn we dankbaar,
om je heengaan treuren wij.
Het leed je te hebben verloren,
doet ons het geluk niet vergeten
je te hebben liefgehad.

Hier sta ik dan te liften
op de weg naar God
in de regen, in de mist,
de zon die je niet ziet.
Het is een lange, grote weg
maar hij staat open voor iedereen,
gebouwd door de mensen,
met omleggingen en met hinderpalen,
Jezus heeft hem herbouwd, verlegd,
nu is hij weer recht,
ik ving te voet de weg weer aan,
er op stilstaan kun je niet.
Daar stopt plots een wagen,
mensen lachen, zingen blij,
ik spring in het wagentje,
we horen blijkbaar bij elkaar,
en dan rijden we weer voort,
het doel is een eeuwig feest,
dit was het eind
van een lange rit van leven.

Zachtjes, heel zachtjes
ben je van ons weggegleden,
stilletjes, heel stilletjes
heb je jouw strijd gestreden.

Dag na dag
heb je van ons afscheid genomen.
Meer en meer
leefde je in vreemde dromen.

Nu zijn die dromen voorbij,
wees niet bevreesd,
je bent nu vrij.

De laatste uren voor het einde
dan wordt die grote wereld klein,
is plotseling alles onbeduidend,
tot aan het laatste beetje pijn.

Wat wij zo indrukwekkend vonden,
verliest zijn glans, verliest zijn zin,
maar achter de gesloten ogen,
glanst een gigantisch nieuw begin.

Een laatste hand
een laatste blik
ik schrik
en huiver
van die kilte.
Een laatste woord
een laatste traan
voortaan
heerst tussen ons
ongrijpbare stilte.

Ik zal je dromen
in het zand en de zee
een zacht ronkende BMW
in een goed glas wijn
bij ’t samenzijn
in een sterke duim
een fiere pluim
in elk gevat woord
de blik die bekoort
in handen zo freel
in tranen… te veel
ik zal je altijd blijven dromen!

Psalm 920

Het leven is een tocht doorheen de dagen
en naar Jezus’ geest ten dienste staan;
het is het wel en wee van medemensen dragen,
stervend leven als de korrel van het graan.

‘Al wie in Mij gelooft, zal eeuwig leven!’
hebben wij van U, o Heer, gehoord.
Wij hopen op uw groot erbarmen en vergeven,
wij vertrouwen op uw eeuwig godd’lijk woord.

Wij rouwen om de mens die wij verloren:
niemand ken ons diep en groot verdriet.
Maar in zijn goedheid zal de Heer ons wel verhoren:
Hij verlaat in ’t van nood de zijnen niet.

Nooit meer je stem
Nooit meer je lach
Nooit meer samen genieten
van een mooie dag
Niets is meer hetzelfde in ons leven
Maar het houden van jou
en alle herinneringen zijn gebleven…

Nooit leefde je zo hevig,
nooit was je zo volledig,
zo menselijk mens

als toen je op weg ging,
je uitstrekte naar die ander,
als toen je liefhad.

Zo was je bedoeld,
zo glanzend, zo bloeiend,
zo hartverwarmend.

Dit was je grandeur,
dit was
de droom van je God

nooit leefde je zo hevig,
zo was je, zo ben je,
zo ben je voorgoed,

mens onaantastbaar.

Afscheid nemen is moeilijk,
wetend dat woorden niet volstaan.
Elk van ons zou zijn eigen verhaal
kunnen schrijven
over wat je voor ons was,
nog voor ons ben, en blijven zal.
Woorden volstaan niet
om de vrouw
te beschrijven die je was.
We hebben met je geleefd,
we hebben van je gehouden.
Jij van ons.
Het was goed.

Als je ouder wordt
en niet meer ziet waar je bent,
als je mensen hoort
maar ze niet echt meer herkent,
als je toch blijft strijden
om bij ons te blijven
en te leven,
dan hopen wij dat je nu
de eeuwige rust is gegeven,

en God heeft de kranke rank gevonden
en aan zijn warme muur gebonden…
voor eeuwig.

Dit is de eeuwigheid
alles staat stil.
Laat dit nooit ophouden.
En als dit sterven is,
laat me dan stil,
niks zeggen,
niks willen,
niks doen,
niets.

Zonder jou zo verloren, zonder jou zo verward
Zonder jou zo wanhopig, zonder jou zonder hart
Zonder jou zo ontroostbaar, zonder jou zo alleen
Zonder jou zo gebroken, zonder jou om me heen

Het is alsof je stem hier nog is blijven hangen
Net alsof je in mijn wanhoop nog zo dicht bij me staat

Zonder jou zo verslagen, zonder jou zo voorgoed
Zonder jou zo ineengedoken, zonder jou weet ik niet wat ik moet doen

Want zonder jou ben ik mezelf kwijt
Geen dag, geen nacht en geen benul van tijd
Net alsof je heel dicht bij me bent
maar nog zover hier vandaan…

Veel waaraan ik dacht dat het tot mij zou komen
’t kwam niet
Veel waaraan ik dacht dat ’t mij bespaard zou worden
’t werd mij niet bespaard
Maar al wat wél gekomen is
vervulde mij met vreugde
en
al wat mij bespaard gebleven is,
gaf mij de kracht om door te gaan
Maar ’t werd wat veel
ineens
kon ik niet ver meer gaan
en
van ’t leven doodmoe geworden
ben ‘k ingeslapen
Nu ben ik wakker, hier, in buitenaardse sferen
waar tijd en ruimte samenvloeien
Laat mij aanschouwen
de zin
van wat op aarde was mijn lot.

Zoek niet naar mijn graf.
Vraag niet wie ik ben
en of jij me gekend hebt.
De idealen die ik had,
blijven ook zonder mij bestaan.
Ik ben dood, maar leef voort
in de idealen die ik had.
En de anderen die blijven strijden,
zullen nieuwe rozen doen bloeien.
Wanneer je daarover spreekt,
spreek je over mij.

Als je in je levensstrijd
warmte om je hebt verspreid,
als je iemand die daar treurt
hebt getroost en opgebeurd,
als je hielp waar je het kon
aan wat licht en wat zon,
als je een goed voorbeeld geeft,
heb je niet voor niets geleefd.

Sport was je passie
je zorg, je droom
altijd verder en verder,
altijd hoger en hoger
alleen
tot aan de top.

Voor jezelf was je hard
maar voor anderen
was je de hoop
de aanmoediging
de warme handdruk
de stille aanwezigheid.

Je was…
tot je niet meer kon…
je droom.

De leegte zonder jou
is met geen pen te beschrijven.
De leegte zonder jou
zal altijd bij ons blijven.
Maar veel fijne herinneringen
verzachten onze smart.
Voorgoed uit ons midden
maar altijd in ons hart.

Aan het begin van de avond
hield hij op met z’n bestaan
met z’n vrouw en kinderen om
hem heen
is hij heengegaan.

Wat we wilden zeggen
was allemaal al gezegd
zachtjes heeft hij z’n
vermoeide lichaam neergelegd.

Helaas er was geen tijd meer
om te praten
op die zaterdag heeft hij ons
verlaten
alles waarvoor hij in z’n leven
vocht
we hopen dat hij zal vinden wat
hij zocht.

Als bloemen
vertellen van vreugde
als de nacht
lief zijn verzoet
als muziek
een lied zingt voor gevoelens
en als vogels
lente komen melden
dan komt blij zijn boven
en woorden vinden zich te broos

zo is het
als mijn gedachten vleugels krijgen
en ik terugdenk
aan jouw dagen.

Je zoekt mij in vergeelde foto’s
op mijn kamer ben ik niet.
Je denkt: dat was het dan,
’t is uit, voorgoed gedaan.

Ik weet: voor wie nog blijft
is ’t niet te vatten.
Maar weet: ik voel me vrij
ik werd opnieuw geboren.

Zoek mij niet in je verdriet
maar vind mij in gedachten over vroeger,
troost je in het tikken van de tijd
die ons weer saam zal brengen,
ooit.

Denk aan mij terug
maar niet in de dagen
van pijn en verdriet.

Denk aan mij terug
in de stralende zon
hoe ik was
toen ik alles nog kon.

De dingen van het leven
zijn licht of zwaar gegaan,
als een prieel van bloemen
bedauwd met menig traan.
Nu vouw ik mijn handen samen,
voor immer vallen mijn ogen toe.
Ze waren van ’t harde strijden,
van ’t angstig wachten toch zo moe.
Maar als ik ’t leed van anderen
vol liefde heb verstaan,
dan mag ik vol verrukking
in ’t eeuwig licht naar God toegaan.

Nee, je bent niet dood
maar zachtjes ingeslapen
voor een hele verre reis
boven de hoogste wolken
achter de verste sterren.

Kom, vertel ons eens wat
zoals toen op zondagmorgen
samen rond de koffietafel
heerlijk bij mekaar.
Wat kan je beter wensen.

Op één van je laatste dagen
heb je ons je ’testament’ gegeven:
‘Maakt dat ge goed overeenkomt’.
We hebben onze hand in jouw hand gelegd
en een blik was voldoende.

Nu jij er niet meer bent
zoals wij je kennen
nu je voor ons anders bent
en toch
dromen we
draaien we de klok terug
en vinden je
in woorden van Van Dale
in schalkse humorzinnen
in kleine en grote karweien
in kinderen en wat zijn leren
in gedachten rijk en recht
in ons diepste zijn
zo blijf je
zo word je
voor altijd
van ons
en toch

Sterven is kilte ervaren
waar gisteren nog dromen
geweven werden …

Sterven is de plannen opbergen
die gisteren nog toekomst boden …

Sterven is onderdanig knielen voor God
waar je gisteren nog op eigen kracht rekende.

Het huis is nu leeg en kil.
De tijd staat er stil.
Het beste van je leven
heb je hier gegeven,
ten dienste van iedereen,
nu is het stil om je heen.
We blijven jou gedenken
als een herinnering
vol geschenken.
Met dank voor wat je ons gaf,
je leven, je liefde en ontzag.
Je zal altijd bij ons blijven,
we houden van je, nu en altijd,
tot de dood ons scheidt.

wat een verhaal
wat een weg
wat een berg
nu begint
een nieuwe weg
naar iets moois
naar iets nieuws
ik begin eraan
tot ziens …
en “ooit” komt dat moment
het weerzien
ik hou op mijn manier van jullie
van jullie allemaal
tot dan

Goed zijn
dag na dag,
vol inzet haar leven lang
in eenvoud
zichzelf vergetend.
Niet willen vragen,
niet willen klagen.
Tot aan het einde toe zo gebleven.
Dat was haar leven.
Veel heb je ons gegeven,
veel heb je voor ons betekend.
Plotseling uit ons leven verdreven
blijf je in ons hart leven.

Indien ik je dragen kon
over diepe grachten
dan droeg ik je
uren en dagen lang.

Indien ik de woorden kende
om antwoord te geven
dan praatte ik met je
uren en dagen lang.

Indien ik genezen kon
wat omgaat in je hart
dan bleef ik naast je staan
uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter
niet sterker dan jij
ik weet niet alles
en ik kan niet zoveel.

Ik kan je nu enkel rust geven
eeuwen en eeuwen lang.

Het is een vreemde mengeling
van dankbaarheid, weemoed en verdriet.
een diep gemis aan al het moois
dat jij ons achterliet.

Wie slechts voor anderen heeft geleefd
en ’t beste voor zichzelf gegeven heeft.
Wie stil en oprecht God’s wegen is gegaan
mag in vrede d’ ogen sluiten, moe maar voldaan.

Vaak nog zullen we je noemen
zelfs de stilte spreekt je naam.
Dankbaar willen we je roemen
voor wat je voor ons hebt gedaan.

Het is een verstandig man die
hoewel niets aan zijn oog ontgaat
zich bezadigd schikt in ’t lot
en al wie hem hier lief is
toevertrouwt aan God.

Je ging,
maar je bent niet echt dood,
want ik zal aan je denken.

Als het leven arbeid vraagt,
en ik moe ben maar voldaan,
dan zal ik aan je denken.

Als ik de waarheid hoor,
en de eenvoud gadesla,
dan zal ik aan je denken.

Als het even moeilijk wordt,
maar humor helpen kan,
dan zal ik aan je denken.

Als ik eenzaam achterblijf,
en de herinnering niet meer delen kan,
dan zal ik aan je denken.

Als pijn mijn laatste vriendschap wordt,
en ook ik plots niet meer kan,
dan zal ik aan je denken.

Als op een dag,
ook ik moet gaan,
dan zal ik aan je denken.

Een laatste blik,
een laatste zucht,
toen ging je heen.

Een lege huls
je lichaam,
dood en onbewoond,
maar jij,

jij bent hier niet meer.
Je ging een nieuwe wereld binnen,
een lichaamloze wereld,
waar geen zwaarte is,
geen pijn en geen verdriet.

Je werd er opgewacht,
omarmd en stralend begroet:
geen mens sterft immers alleen.

Je gaat beginnen
aan een nieuwe weg
een nieuw en lichtend leven,
vol vrede, vol liefde.

Ik geef je al mijn liefde
mee voor onderweg.

Wanneer het straks dan toch nog herfst gaat worden
zullen de bomen er wellicht wat kaler uitzien,
nu je er niet meer bent, na al die jaren van pijn,
omdat je wereld steeds kleiner werd.
Wanneer het later winter wordt
zal het wellicht toch warm zijn rond het vuur,
nu je ons zoveel om te herinneren naliet,
zoveel om te vertellen, te koesteren.
Wanneer het dan weer lente, zomer wordt
zullen bloemen opnieuw ontluiken,
nu je, tot we elkaar terugzien,
geborgen blijft in de palm van Gods hand.

Zwaar werden de dagen
en lang duurde de nacht,
hoe moeilijk is het vechten
bij het ontbreken van de kracht.

Maar ondanks je verlies
van de strijd om het leven,
heb je ons een heel stuk geluk
en ontzettend veel liefde gegeven.

Huil niet om mij,
ik heb mijn doel bereikt.
Waar kan een gelovig mens
tenslotte beter zijn
en veiliger geborgen
dan in de eeuwigheid
van vrede, liefde, God?

Huil niet om mij,
mijn lijden is ten einde.
Voor mij geen zorgen meer,
geen angst en nooit meer pijn.
Wil niet verdrietig zijn
zoals soms mensen doen
die weten van verlies
maar vreemd zijn aan ’t gewin.

Huil niet om mij,
ik kreeg wat ik verlangde:
de vrede, die uit God is, is mijn deel.
Laat dat ’n troost zijn
voor die achterblijven.
Er komt ’n uur, waarop wij allen
verenigd zullen zijn in God,
de God die liefde is.

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
en zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren, je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven.
Niemand wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet echt weg.

Het doet ons pijn om afscheid te nemen…
Onze hoop was zo groot
dat je nog enige tijd bij ons mocht zijn…
maar het is anders geworden…
In deze mooie dagen van ’t jaar
heeft jou heengaan
ons diep in ’t hart bedroefd.

Het is stil geworden in huis.
Je blijft voor ons wat je altijd
bent geweest,
een minzame, trouwe toeverlaat
die voor alles en iedereen een
oplossing hielp zoeken.

Houd ons samen in liefde
nu je zelf bent thuisgekomen
bij de Bron van alle liefde.
God zegene en beware je!

Je mag nu slapen…

Je mag nu slapen, ga in vrede,
jij hebt nu genoeg doorstaan.
We hebben voor je rust gebeden
al laten we je niet graag gaan.

Nooit zullen we vergeten,
wie jij was en wat je deed.
Je hebt een zware strijd gestreden.
Wie kan vermoeden hoe jij leed?

Maar weet dat jij in geloof mag beleven
dat God er is en op mensen wacht.
al moet je veel uit handen geven,
bij Hem vind jij weer nieuwe kracht.

Wij kunnen niet aanschouwen,
wat ons verstand te boven gaat.
toch zegt ons hart en ook het jouwe
dat God geen mens in nood verlaat.

Als jij gaat en ik kan niet mee,
zijn we niet meer te saam.
Als jij gaat en ik kan niet mee,
leer mij dan hoe ik zonder jou kan bestaan.
Als jij gaat en ik kan niet mee,
zal ik nog eenmaal mijn hand,
op de jouwe leggen.
Als jij gaan en ik kan niet mee,
zal ik zachtjes tot je zeggen:
“Vaarwel,
vaarwel mijn levensgezel”.

Ga nooit heen zonder te groeten
Ga nooit weg zonder zoen
Wie het noodlot zal ontmoeten
Kan het niet meer doen
Ga nooit weg zonder te praten
Dat doet een hart soms zo’n pijn
Wat je ’s morgens hebt verlaten
Kan er ’s avonds niet meer zijn
vaarwel mijn levensgezel”.

Als ik je naam
in het zand
had geschreven
hadden de golven hem
na korte tijd uitgewist.

Als ik je naam
in een boom
had gegrift
was de schors
met de tijd
vergaan.

Als ik je naam
in marmer
had gekapt
was de steen
na veel tijd
gebroken.

Maar ik heb je naam
in mijn hart geborgen
en daar wordt hij
voor de eeuwigheid
goed bewaard.

Huil niet aan mijn graf.
Ik ben daar niet.
Ik slaap niet.
Ik ben duizend winden die waaien.
Ik ben de diamanten glinstering op sneeuw.
Ik ben het zonlicht op rijpend graan.
Ik ben de zachte herfstregen.
Als je in de morgenstilte wakker wordt
ben ik de snel opstijgende vlucht
kalm rondcirkelende vogels.
Ik ben de vriendelijke ster die ’s nachts schijnt.
Huil niet aan mijn graf.
Ik ben daar niet.

Ik zal de merel niet meer horen
geen druiven plukken in de tuin.

Ik zal de noten rapen van tevoren
mijn huizen vallen wel in puin.

Ik wil bij U zijn mijn Heer en God
voor eeuwig en altijd.

Wat rest het leven als je niet meer weten mag.
Wat geeft de vreugde zonder lach.
Wat zijn de tranen, bodemloos verdriet,
dat geen mens nog ziet,
glijden langs… heen,
momenten, woorden als voorheen
doch geen herinnering wordt nog gemaakt,
enkel nog flakkering bewaart,
als plotse hoop gekomen
echter ’t zijn maar dromen.

Langzaam ben je van ons weggegleden,
elke dag een beetje meer,
telkens werd je weer iets ontnomen,
dat deed jou en ons zeer,
het is een gemis,
een stille pijn,
dat je nooit meer bij ons zult zijn.

“Ik kan niet blijven
vrienden
de dood ontbood mij
tot zijn kring

vergeef mij
dat ik achterlaat
wat ik zozeer
heb liefgehad

mijn huis, mijn stad,
mijn straat,
en u
mijn eigen hart.”

je hebt ons allemaal op weg gezet
op weg naar meer kennis
op weg naar meer genieten
op weg naar meer leven

nu ben je zelf vertrokken
voor de laatste keer onderweg

je hebt ons leven lang gekleurd
en je bent niet in enkele woorden te schetsen

je vertrek tekent ons dan ook meer
dan we ons momenteel kunnen inbeelden

voor ons wordt het nu een stiller leven
en begint het stilaan te dagen
dat we je gaan missen

mo vint toch
we gaan je missen

onzichtbaar

een zucht is onzichtbaar
net als de wind
de nacht is onzichtbaar
als de dag begint
onzichtbaar zijn de dingen
die ik kwijt ben
die ik nooit meer vind
maar
met mijn ogen dicht
zie ik alles
wat mijn hoofd verzint

Wanneer je doodgaat, hoef je niet te sterven,
als er maar enkele mensen je warmte en liefde erven.
Wanneer je sterft, verdwijn je niet,
want zovele herinneringen blijven,
ook na de fase van verdriet.
Afscheid nemen is een wandeling,
en daar waar de wolken in de hemel schuiven,
blijf je staan en kijkt om,
want je wil nog even wuiven
naar je kinderen, kleinkinderen,
familie en vrienden…

Ik ben op reis
al weet ik niet waarheen
maar ergens stond geschreven
dat ik deze weg moest gaan
en al aarzel ik soms even
langs die eindeloze baan
toch weet ik
Iemand ging me voor
en daarom
ga ik door.

Een lieve man heeft ons verlaten.
Eenvoudig was hij:
eenvoudig was zijn leven hier.
Hij blijft een voorbeeld voor ons allen:
goed, vriendelijk, gedienstig en bescheiden.

Zijn grove handen stonden naar het werk.
Blijkbaar was hij nooit moe.

Wij zullen je missen.

We hadden in het leven nog een zee van tijd
Tijd om te beminnen en bemind te worden
Tijd om vader te zijn met zorgzame wenken
Tijd om vriend te zijn en vriendschap te beleven

We hadden in het leven nog een zee van tijd
Tijd om oude meubels door je handen herboren te zien
Tijd om te reizen en te genieten van kleine dingen
Tijd om het schone in de natuur, in je eigen tuin

Luc, we danken je omdat je ons hebt leren tijd maken,
Om rechtvaardig en sociaal te zijn
Om een gegeven woord nooit te breken
Om te begrijpen dat tijd eeuwig is.

Luc, “In die tijd” zullen we je niet vergeten.

De dood betekent helemaal niets.
Ik ben alleen maar de kamer hiernaast binnengeglipt.
Ik blijf ik en jij blijft jij.
Wat we voorheen voor elkaar waren,
dat zijn we nog steeds.
Noem me bij mijn oude vertrouwde naam,
spreek me aan op de gemoedelijke toon van vroeger.
Verander je toon niet,
hul je niet in somberheid of treurnis.
Lach zoals we altijd lachten
met de grapjes die ons verblijdden.
Bid, glimlach, denk aan me, bid voor me.
Laat mijn naam altijd de oude zijn,
spreek hem eenvoudig uit,
zonder enige schaduw erover.
Het leven betekent nog wat het altijd heeft betekend.
Het blijft wat het altijd was:
de gang der zaken wordt niet onderbroken.
Waarom zou ik uit je hart zijn zal ik uit je oog ben?
Voor de tijd die het nog zal duren wacht ik op jou,
ergens heel dicht, juist om de hoek.

God,

Gij zijt mijn aanvang
en mijn einde
daartussen ligt naar u de tocht,
steeds ongemeten,
steeds in nevel
tot aan de allerlaatste bocht.

Een weg van jubel
en verlangen,
van afscheid, aarzeling en pijn,
met onverwacht
vertrouwde sporen
van stappen, die de uwe zijn.

Bij elke pauze
weer ontworteld,
uit klein geluk gelicht,
voel ik mijn wezen
aangezogen
naar uw oneindig vergezicht.

Hij hield van gewone dingen,
eenvoudige vriendschap,
rechtvaardigheid,
even helpen waar het kon,
een open deur,
een gastvrije tafel
en van samenzijn.
Zo leeft hij voort in allen
die hem liefhebben.

Ik voel nog in mijn hand,
het laatste drukken van je handen.
Daarin lag nog wat leven,
daarin lag reeds de dood.
Daarin lag al die liefde,
sedert jaren ons gegeven,
die gij in ene drukking nu
voor eeuwig in mij sloot.

Wit,
als de orchideeën in je handen,
slaap je,
je adem vergleden
tot bevroren stilte,
je ben niet dood, slechts op reis,
ooit en ergens,
zien we je terug,
je glimlach vertelt het ons,
maar nu missen we je,
en dat doet pijn

Alles gaat voorbij…
maar niets gaat over.

De weg is vreemd
zo onverwacht,
geen woord van afscheid
geen kus vaarwel,
zovele vragen
een antwoord
dat niet komen zal.
Gekleurde herinneringen,
je warme stem,
je lach
en altijd een beetje fier.
Jou missen zal moeilijk zijn.

Waar zal je zijn?
In het geheim van de sterren
waar we samen naar kijken
of misschien in het lied van de wind?
En als het lente wordt in die kwetsbare tint
van een kortstondige bloesem?

Waar zal je zijn,
als we zwijgzaam van verdriet,
opnieuw je voetstappen horen
en hoe je zachtjes de deur sluit
zoals gewoonlijk?
En toch, wij vinden je niet.

Misschien heb je
ergens iets achtergelaten,
een briefje, zomaar in een la,
met een voorzichtig bericht.
Dat je er straks wel zal zijn,
omringend op jouw manier,
maar onaantastbaar voor ziekte en pijn.

Gedaan wat je wilde doen.
Gezegd wat je wilde zeggen.
Gezien wat je wilde zien.
Het had veel langer mogen duren.
Maar je hebt genoten van je hele leven.

Als ik sterf
hoop ik dat je bij me bent
dat we elkaar
laten voelen
wat ons samenzijn betekent
voor elkaar
als ik sterf
neem dan m’n hand
in de jouwe
en vertel me van onze
liefde
die eeuwig is en blijft
en als ik sterf
treur niet
maar luister naar de stilte
kijk naar een bloem
en heb je medemens lief
en dan zal ik gelukkig zijn.

Ze zeggen dat het went,
maar niemand zegt wanneer.
Dus leef ik met de dag
en jij sterft telkens weer.
Want ik hou zo van jou,
afscheid nam ik niet,
en het einde blijft nu open,
zoals jij het achterliet.

Zoals een boot langzaam
achter de horizon verdwijnt,
zo hebben we de laatste jaren
stap voor stap,
afscheid van je moeten nemen.
Zo ver we konden zijn we met je meegegaan
en hierin heb je het ons niet moeilijk gemaakt.
Je was zo oneindig dankbaar voor alles
wat we voor je deden.
Wat nu blijft zijn onze herinneringen
aan ‘een lieve en zorgzame Pa’.

LIJDEN

Rust nu maar uit
de harde strijd is gestreden.
Je hebt het ontzettend moedig gedaan.
Wie kan begrijpen hoe je hebt geleden.
Wie kan voelen wat je hebt doorstaan …

Zwijgzaam… stil en zonder klagen,
wilde jij je ziekte dragen.

Je vocht met al je levenskracht,
voor elke nieuwe dag en nacht.

Zo langzaam… moegestreden,
uit ons midden weggegleden.

Waarom al dat vechten ma.
Waarom al die pijn.
Je wilde hier niet weg ma.
Je wilde bij ons zijn.
Voor jou ging het sterven niet ineens.
Je hebt er moedig voor gestreden.
Niemand kan weten wat je hebt gevoeld.
Ook niet wat je hebt geleden.
De strijd was oneerlijk
en geheel niet terecht.
Je wilde nog graag verder
maar verloor dit gevecht.

Zoals hij geleefd heeft,
in alle eenvoud en stilte,
zo is hij heengegaan.
De kleine alledaagse dingen
vormden de bouwstenen van dit leven,
dat herhaaldelijk door ziekte
werd getekend.
Hij heeft dit lijden gedragen,
de ene dag wat beter dan de andere.

Je wilde nog zoveel
maar had niet meer de kracht.
Je ziekte had je volkomen in je macht.

Je was zo moe.
Je hebt je strijd gestreden.
Al je zorgen en verdriet
behoren nu tot het verleden.

Rust nu maar uit.
Je bent nu bevrijd van lijden,
maar ach, wat is het zwaar
van jou te moeten scheiden.

Optimistisch tot het laatste
Niet moeilijk maken voor je naasten
Gesloopt van al je krachten
bleef je op een betere dag wachten
Wij waren jouw lust en je leven
Maar er is geen tijd meer gegeven
Je streed vol moed en kracht
Lieve schat, rust nu maar zacht.

we waren haast vergeten
hoe sterk je vroeger was
hoe je voor alles oplossingen had
en iedereen kon helpen

want er kwam mist op in je hoofd
je lijf wou niet meer mee
het werd een harnas zwaar om dragen

toch bleef die sterke levenswil
om alles nog eens mee te maken
en nog een keer en nog

erbij zijn en daar blij om zijn
je levensles

Er zijn geen woorden
voor een zieke
van wie je weet, zij redt het niet.
Je streelt haar wang
je ziet haar ogen
je bent bevangen door verdriet.
Toch ben je dankbaar
voor haar einde
dat na zoveel moedig strijden kwam.
Omdat het niet alleen
haar leven
maar ook haar lijden overnam.

Zwaar werden de dagen
en lang duurde de nacht
hoe moeilijk is het vechten
bij het ontbreken van kracht.

Ik heb de berg beklommen
die jullie nog moeten gaan.

Huil daarom niet geliefden
ik ben in vrede gegaan.

het verdriet was er al geruime tijd
toen die machteloze verwarringsstrijd
elke dag een stapje dichter naar het eind
elke dag een beetje van je kracht verkleind
elke dag wat zwaarder wat je torsen moet
doch als gaande wetend, eens komt alles goed

Kom nu met uw donker, diep erbarmen.
Eindelijke Dood.
Laat dit pijnlijk lichaam in uw armen
rusten als het kind op moeders schoot.
Laat mij veilig door de schaduw uwer grote
vleugelen gedekt
slapen gaan, het moede oog gesloten
en het lichaam pijnloos uitgestrekt.

De strijd is gestreden, jouw pijn is voorbij.
Ik probeerde je te helpen,
maar je stond er zo machteloos bij.
Je vechtlust was enorm,
je werd alleen zo moe.
Zwaar werden de dagen en
lang duurde de nacht.
Hoe moeilijk is het vechten
bij het ontbreken van de kracht.
Maar ondanks je verlies
van de strijd om het leven,
heb je ons een heel stuk geluk en
ontzettend veel liefde gegeven.

Hij heeft zijn strijd gestreden,
heel moedig heeft hij ’t gedaan,
wie kon vermoeden of zelfs weten,
wat hij in stilte heeft doorstaan,
Hij heeft zijn weg bewandeld,
en sterk in ’t leven gestaan,
rechtvaardig en eerlijk gehandeld,
Zo is vader ons voorgegaan.

MOEDER – VADER

Moeder,

Je hield van het leven
en was bijzonder dankbaar voor die milde gave
ofschoon je reeds vroeg de broosheid meemaakte.

Je was steeds actief en in de weer
zo zorgend ingesteld

begaan met wie sukkelde
met interesse luisterde waar een kleintje geboren was
bekommerd om veel

Je leven was lang
met vele vreugdevolle dagen
maar soms ook zwaar om dragen

nu is het altijd rust voor jou
je bent weg maar niet voor ons
vanaf nu gaan we verder in het leven zonder jou
en in ons binnenste koesteren we
vol dankbaarheid
al je goedheid voor ons.

Moeder,

Eenvoud sierde jouw leven,
iets van Gods goedheid
mochten we in jou vereren.

Wat je deed, deed je goed,
met veel zorg en overgave,
een moeder met een gouden hart,
we zullen je missen elke dag.

Op jouw gezicht
omkranst door grijze haren,
lag de stempel van de vrede
die goeie moeders als jij
wisten uit te stralen.

Nu ben je heengegaan
de pijn is nu voorgoed voorbij
jouw liefde blijft voortbestaan,
diep in ons hart geborgen.
Tot weerziens bij de Vader.

De rimpels, diep in jouw gelaat,
getekend door het leven.
Verdriet en vreugd’ jou niet bespaard,
je dagen door verweven.

Ons vader, wij, samen jouw gezin
waar je voor leefd’ en werkte.
Van vroeg tot laat, tot ’t niet meer ging,
dat gaf je kracht en sterkte.

Het werd een zware last, te zwaar,
gedragen op je schouders.
Je werd te moe, je wou naar daar,
naar pa, je broers, je ouders.

En wij, wij blijven hier alleen,
moeten nog even verder.
Maar het wordt nooit meer als voorheen,
waar halen wij nu sterkte?

De hoop dat je gelukkig bent,
daar waar je nu gaat wonen.
Dat je der iedereen herkent,
zoals je ’t zo vaak droomde.

Eens … als we daar te samen zijn,
herenigd over grenzen.
Verheven, vrij van aardse pijn,
ongrijpbaar … voor ons, mensen.

Moeders blijven meegaan voor het leven!
Maanden lang, voor je geboren wordt,
dragen ze jou heel geborgen.
Jaren lang, op weg naar het volwassen worden,
gaan ze met je mee, met heel veel zorg.
Eeuwen lang, in het waar maken van je leven,
blijven ze in je herinnering.

De roos,

Een roos is een mooie bloem
met een gevoelige symboliek.
Rood als teken van liefde,
doornen als teken van pijn.

De struik is sterk,
de rozenblaadjes zacht en teer.

’s Morgens ontwaken met de morgendauw.
Overdag op zoek naar de zon,
naar warmte en licht.
Steeds maar op zoek…

Haar bedwelmende geur,
versterkt geluk en verzacht de pijn.

Na een zware dag
vol sterke verlangens,
sluit de bloem zich.
Ze rust…

Slaap zacht moeder,
we vergeten je nooit.

Het is een wonderbaar iets,
een moeder.
Anderen mogen u liefhebben:
uw moeder alleen begrijpt u.
Ze werkt voor u,
zorgt voor u,
bemint u.
Zij vergeeft u alles,
wat ge ook doet.
Ze bidt voor u.
En het enige verdriet
dat ze u naliet,
is te sterven
om het leven te beërven,
is van u heen te gaan
om voor God te staan.

Een moeder sterft altijd te vroeg
al wordt zijn nog zo oud
je bidt dat God haar sparen zal
omdat je van haar houdt.

Maar als de dagen knellen gaan
zij ziek wordt, moe en benauwd
bid je dat God haar halen zal
omdat je van haar houdt.

k Wou om vergeving smeken
waarvoor, ik wist het niet,
en bij u nederknielen,
mijn knieën bogen niet.

k Wou om vergeving smeken
waarvoor, ik wist het niet,
en bij u nederknielen,
mijn knieën bogen niet.

Daar blonken grote tranen
van heil en droefenis.
En ‘k voelde diep in ’t harte
wat ene moeder is.

Willem Elsschot

’t En is van U, hiernederwaard
geschilderd of geschreven
ons moederken, geen beeltenis
geen beeld van U gebleven.

Geen tekening, geen lichtdrukmaal
geen beitelwerk van steene
’t en zij dat beeld in ons
dat gij gelaten hebt alleene.

O mogen wij, U onweerdig nooit
die beeltenis bederven,
maar eerzaam laat, ze leven in ons,
eerzaam in ons sterven.

Guido Gezelle

Een moeder zou niet mogen doodgaan
zou voor altijd moeten zijn
en leed en liefde bij ons blijven
het levendigste samenzijn…
een moeder kàn gewoon niet doodgaan
gestorven leeft zij nog in mij
zoals steeds wou ze ons voorgaan
in hart en geest blijft ze nabij

Zo lang zij rustig leeft, kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg nog geld, zo doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien, gaan wij nog bij haar eten
en lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,
wat ons gewichtig werd, valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreeën.

Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezicht
waarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnen
vervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.

Karel Jonckheere

Je moeder blijft je moeder
zo eigen en vertrouwd
je wilt haar niet graag missen
omdat je van haar houdt.

Maar eens dan komt de dag
dat je haar moet laten gaan
je verstand zegt dat het goed is
maar in je ogen blinkt een traan.

Wanneer ik dood ben
ween dan om mij maar
niet te veel.
Denk dan eens aan mij
maar niet te veel,
want het is niet goed
om lang bij de doden te verwijlen.

Denk aan mij
zo nu en dan
zoals ik was toen ik nog leefde
op ogenblikken die prettig
zijn om te herleven,
maar doe dat niet te veel,
laat mij maar in vrede rusten
zoals ik jou jouw rust zal geven,
want jij, jij behoort tot de levenden.

Ons Moeder,

Ons moeder was een brave vrouw,
blijmoedig in haar stille moed.
Wij dragen voor haar geen zwarte rouw,
haar glimlach was daarvoor veel te goed.

Zij blijft in onze gedachtenis,
zoals een bloem in de ochtendlucht.
Behoedzaam is onze droefenis,
liefde in plaats van droef gezucht.

Ik heb gedroomd, o moeder,
dat gij op sterven laagt,
en voor het al te sluiten
mij lang in d’ogen zaagt.

Gij spraakt van eerlijk blijven,
van recht door ’t leven gaan,
hebt toen nog eens geglimlacht,
en alles was gedaan.

Moeders beenderen

Op het kerkhof liggen beenderen
Vele reeds tot stof vergaan
Op het kerkhof liggen beenderen
Ook deze van mijn moeder lief

Maar die van haar, God weet waarom
-liefde vermag zo veel-
Maar die van haar, God weet waarom
Die zijn nog heel

Maar die van haar, God weet waarom
-liefde vermag zo veel-
Maar die van haar, God weet waarom
Die zijn nog heel

Ga niet zoeken op het kerkhof
Hoe prachtig bloeien de seringen!
Ga niet zoeken op het kerkhof
Want nee, ze is er niet

naar Maurice Carême

Moeder,

Moeder ik roep u naar huis
met de eerste van alle namen
ik heb op uw lichaam gewacht
de hemel zegt eindeloos amen

Moeder nu zijt gij thuis
de tijd blijft beneden de zorgen
een stilstaand geluk zonder morgen
in de hemel, de hemel uw huis

Anton van Wilderode

Moeder,

Haar ogen waren blauw, haar haren grijs.
Ze zei dat ze maar weinig dingen wist,
maar wat ze zei was zo gerijpt… zo wijs,
wel duizendmaal heb ik gedacht: dat is ’t.

De hoog’re dingen speelden bij haar mee
zij zag het leven in een ander licht,
zo stond ze ook te kijken naar de zee,
’n glimlach op haar nobele gezicht.

Zo kunnen bomen in het landschap staan
in volle rust en helemaal compleet,
zo is ze ook die avond doodgegaan
en nooit vergeet ik wat ze voor me deed.

Toon Hermans

Ons moeder,

een lang en zinvol leven
van arbeid en zorgen geven,
uit haar vermoeide lichaam
is zachtjes moeder heengegaan.

Gedachten naar ’t verleden:
wat moeders handen deden.
Ons rest nu groot gemis
om wat een moeder is.

In diepe eerbied willen wij nog
één maal met je spreken.
Zoveel heb je steeds voor ons gedaan.
Je handen weren steeds bereid tot dienen.
Maar toch … dat vonden wij zo heel normaal

Lieve mama,
nu geven wij jou uit handen aan Hem
die ondoorgrondelijk van je houdt.
De Heer die jou tot leven riep
en waarop je immer hebt gebouwd.

Geloof me, kinderen:
mijn leven is geen gouden trap geweest!
Er zaten spijkers in en splinters.
Er zaten planken los,
geen kleden op de grond.
Het was maar kaal,
doch heel mijn leven
klom ik naar boven,
weer een overloop
en weer een hoekje om,
vaak in het pikkedonker,
maar nergens licht te zien.
Mijn kinderen, ga nu niet achteruit,
ga niet op ’t treetje zitten,
omdat je vindt dat je ’t zo moeilijk hebt.
Niet vallen hoor,
ik loop nog altijd mee
en klauter steeds
al is mijn aards bestaan
geen gouden trap geweest.

Nimmer gaf je op voor ons te leven
wat je ook voelde, je bleef geven.
Nog zoveel te doen, dromen waarmaken …
We treuren, maar zijn gerust
ook hierboven … zal je over ons waken.

Nimmer gaf je op.
Dank je, pa.
Droom zacht.

Papa,

Beetje bij beetje moesten we jou loslaten.
Op het einde konden we niet meer met je praten.
Die blik, die stilte deed veel zeer.
Die man van vroeger, was je niet meer.
We zagen heel goed je stille verdriet.
Maar helpen, dat konden we niet.
Nu moeten we in ’t leven zonder jou verder.
Maar hopelijk blijf je, ook van ver, onze herder.

Ik was een kind,
je nam me bij de hand
en zei: “ik ben jouw vader”.
Je tilde me op
en leerde mij leven.

Ik ben jouw kind,
ik neem je bij de hand
-nog even-
en zeg: “zo was het goed,
heel goed,
want jij was een lieve, wijze
vader, mijn vader.”

Liefste pa,

Wat was je een ‘prachtige’ man
niet enkel je sterke en krachtige verschijning
wekte respect bij iedereen
ook en overal was je vol vuur en overtuiging
voor je idealen.

Wat was je een ‘prachtige’ man
niet enkel je sterke en krachtige verschijning
wekte respect bij iedereen
ook en overal was je vol vuur en overtuiging
voor je idealen.

Bedankt lieve Pa
voor de kracht die je ons geeft
om het leven zo dierbaar te koesteren.

Papa,

Beetje bij beetje moesten wij je loslaten.
Tot het laatst zijn wij met je blijven praten.
De blik, de stilte deed vaak zeer,
maar toonde hoe je van ons hield.
We zagen je stil verdriet,
en meer doen dan bij je zijn, konden we niet.
Je was voor ons een beste vriend.
Als ingoed mens heb je nu rust verdiend.

Vader, wij hebben u begraven
en de grond erkend
zacht om te slapen, zacht om te vergeten:
zand dat vervloeit en water, ongeweten,
herinnering en droefheid voormaals onbekend.

Gij zult niet eenzaam zijn, maar slapen slapen
met sterren ’s avonds een onblusbaar vuur
en, rond uw eiland, het traagstromend water.
De bomen wuiven tijdeloos en ieder uur.

Gij zult niet eenzaam zijn.
De bloemen en de kruiden
werden maar even in hun bloei gestuit
en elke lente loop de wingerd uit
wanneer de jonge wind keert van het zuiden.

Gij zult niet eenzaam zijn:
de nachtegaal zal fluiten.

Anton van Wilderode

Liefste papa,

Ik zie je hier naast me
met je mooie zwarte haren,
je fonkelende ogen en
je stralende lach.

Ik hoor je hier naast me
met je hartelijke spontane lach, zo papa,
vanuit diep in je hart.

Ik voel je hier naast me
zo’n trotse schouderklop,
zo’n innige omhelzing,
zo’n warme kus.

Ik ruik je hier naast me
mijn vertrouwde “papa-lucht”.

Ik proef je hier naast me
je enthousiasme en je werklust, je
hartelijkheid,
je gouden hart voor iedereen.

Ik blijf je zien, horen, voelen,
ruiken en proeven…
Je bent niet weg, papa, je blijft altijd bij me.
Ik zal je altijd meenemen diep in mijn hartje.

Liefste papa,

Ik schrijf je een gedicht met een nieuw gezicht
Ons papa moest persé sterven
en ons leven viel in duizend scherven

Ons pa komt niet meer terug
en hij vindt de weg hiernaar maar niet
Die acht weken in het ziekenhuis waren pijnlijk
Zowel voor pa als voor ons
En toch kon het niet zijn

We hadden telkens een beetje hoop
Maar die viel in één grote puinhoop
Tot die vroege ochtend ging je ervoor
Wat heeft je toch tegengehouden om te
vechten

Papa, wij blijven met bewondering naar je kijken
Als je jouw handen over ons uit blijft strijken

Voor de
liefste Echtgenoot en Vader

Als alle echtgenoten en vaders op de
wereld handen waren die
in vriendschap werden
uitgestoken, dan
zouden wij jouw hand
vasthouden.